| Verslag onderzoek onderwijs |
|
Onderzoeksverslag enquête, voorjaar 2008. Hier kunt u de de onderzoeksresultaten lezen van de enquête mbt discriminatie en onderwijs in Noord-Holland Noord. Meer dan de helft van de aangeschreven basisscholen (BO) heeft de enquête ingevuld geretourneerd (83 van de 144). Bij het voortgezet onderwijs (VO) was er een kleinere groep respondenten (11 van de 74).
Krijgen scholen melding van discriminatie? Bij het merendeel van het VO wordt discriminatie gemeld (1). In het BO is dit maar twee vijfde (2) van de scholen. Er zijn verschillende redenen mogelijk voor dit verschil. Ten eerste kan het zijn dat een school de klacht niet als discriminatoir bestempeld. Identificatie met een eigen groep is in de puberteit van groter belang bij het ontwikkelen van de eigen individualiteit. Juist op deze leeftijd maken jongeren de stap van de veiligheid van een kleinere basisschool dichtbij huis naar een grotere middelbare school. De grotere diversiteit van culturele verschillen, de behoefte aan het behoren tot een peergroup en de afname van sociale controle kunnen discriminatie in de hand werken. Onderstaande vragen zijn de resultaten van de scholen waar discriminatie gemeld wordt. Door wie wordt de melding gedaan? Op alle scholen wordt door leerlingen melding gegeven. Op de tweede plaats wordt melding door ouders en/of verzorgers genoemd; op het BO (1) beduidend meer als het VO (2). Docenten melden discriminerend pesten in mindere mate (3). Een derde van de schoolbegeleiders in het basisonderwijs melden klachten met een discriminatoire aspect (4) (vertrouwenspersoon/ mentor/ intern coördinator). In het Basisonderwijs ligt dit percentage veel lager (5). Melding door de politie komt ook voor (6). In welke vorm wordt discriminatie geuit? Verbale uiting van discriminatie is de voornaamste vorm; in het VO (1) meer als in het BO (2). Zowel op het BO als het VO komt meer klachten voor over individuele incidenten dan discriminatie binnen groepen, maar groepsdiscriminatie wordt wel toenemend gesignaleerd in het voortgezet onderwijs. Ook discriminatie via mail wordt vaker gesignaleerd binnen het voortgezet onderwijs (3). Ruim een kwart (4) van de scholen krijgt ook melding binnen van fysieke uitingsvormen. Tevens merkten scholen, buiten de enquêtevragen om, ook één keer msn en sms op. Als deze onderdelen in de enquête opgenomen waren, zou dit aantal vanzelfsprekend hoger kunnen liggen. Welke partijen zijn hierbij betrokken? Discriminatie speelt volgens de scholen voornamelijk tussen leerlingen onderling (1) . Discriminatie van een docent door een leerling wordt als tweede genoemd, maar toont een sterk stijgende lijn in het VO (2). Andersom wordt ook wel melding gemaakt door leerlingen over discriminatie door de docent, met opnieuw een stijging in het VO (3). Dezelfde cijfers gelden voor discriminatie door ouders en/of verzorgers richting de docent. In het basisonderwijs komt soms meldingen binnen van discriminatie door leerkrachten tegen leerlingen of andere leerkrachten (4). In het voortgezet onderwijs niet. Alle 11 scholen hebben antwoord gegeven op onderstaande vragen: Op welke punten schenkt de school aandacht aan veiligheid op het gebied van discriminatie? Veiligheid voor leerlingen Veiligheid voor docenten De punten waarvan scholen denken dat Art.1 BD NHN hen kan ondersteunen Tweederde van de scholen VO heeft interesse in het ontvangen van algemene informatie mbt discriminatie. Dit geldt voor een derde van het BO (1). Het VO heeft ook meer interesse in voorlichting in de klas dan het BO (2). Een derde van de scholen VO en een kwart van de scholen BO hebben interesse in projecten door art.1 (3) . Een derde van de scholen VO lijkt docententraining erg nuttig. De basisscholen hebben hier minder belangstelling voor (4). Daarnaast noemden basisscholen ook interesse voor: eerbaarheidtraining en kanjertraining. Deze trainingen worden niet door ons, maar wel door andere bureaus gegeven. Bij zowel de docententraining als de lessen en projecten die wij aan kinderen geven speelt weerbaarheid echter een belangrijke rol. Verder gaf een school VO aan graag contact met ons te hebben wanneer er op school een ernstig incident plaatsvindt. Bekendheid met ons bureau Een meerderheid van de scholen (1) was, voor het invullen van deze enquête, niet bekend met Art.1 Bureau Discriminatiezaken Noord-Holland Noord. De reden hiervoor kan zijn dat wij pas sinds een jaar de financiële middelen en mankracht hebben om onze activiteiten uit te breiden (zeker op scholen) en te investeren in onze naamsbekendheid. De scholen die wel met ons bekend waren, kennen ons vooral door de nieuwsbrief (2). Daarnaast zijn wij meestal bekend bij het VO door krantenartkelen (3) en bij het BO door folders en posters (4). De nieuwsbrief aan scholen is nu twee keer verstrekt en wordt in de toekomst toegestuurd rond september en april. Een derde kende ons via Internet (5) . In het basisonderwijs zijn wij tevens bekend door krantenartikelen (6), derden (7) en de gemeentegids (8). Belangstelling voor producten en diensten van ons bureau. Het BO is voornamelijk geïnteresseerd in gastlessen en projecten die wij zelf geven aan de leerlingen. Een derde (1) van de basisscholen ontvangt graag meer informatie over de gastles: vooroordelenkoffer. Een vijfde van de basisscholen is geïnteresseerd in de schoolprojecten ‘Doe Lief’ (2) en ‘Ik feest, jij feest, wij feesten!!’ (3). In mindere mate bestaat belangstelling voor ons aanbod op andere punten, zoals algemene achtergrondinformatie over Discriminatie (4), docententraining: “Reageren op discriminerend (pest-) gedrag” (5), en het school-brede aanbod: ÉÉN (6). Het voortgezet onderwijs toont juist veel belangstelling voor de docententraining (7) en ÉÉN (8). Ook zijn ze geïnteresseerd in het schoolproject voor VO ‘ Respectestafette’ (9) en, in mindere mate, het ontvangen van algemene informatie (10). |
| < Vorige | Volgende > |
|---|